Akkerbouw

De akkerbouwtak op het bedrijf wordt extensief uitgevoerd. Dit houdt in dat er een beperkt aantal gewassen geteeld worden in een ruime roulatie. De reden hiervoor is dat de werkzaamheden op die manier goed te combineren zijn met arbeid in het fruitbedrijf. Wel wordt getracht om al het werk zelf uit te voeren. Soms wordt er ook nog de hulp in geroepen van derden om alle werkzaamheden rond te zetten.

Het grootste gedeelte van de percelen wordt ingezaaid met granen, zoals tarwe en gerst. Bij tarwe onderscheidt men winter,- en zomertarwe. Wintertarwe wordt gezaaid in de periode oktober tot en met half januari. Lukt het niet om voor die tijd te kunnen zaaien kan er vanaf februari voor zomertarwe worden gekozen. Het voordeel van wintertarwe is dat deze vaak een hogere kilogram opbrengst geeft dan zomertarwe. In Zeeland werd hoofdzakelijk zomergerst geteeld. Deze wordt gezaaid in het voorjaar, wanneer de grond bekwaam is. De laatste jaren is wintergerst een opkomend gewas. Net zoals wintertarwe wordt deze in het najaar gezaaid.

 

Een perceel wintertarwe, goed aan de groei.

Als de granen geoogst zijn, worden deze geleverd bij de afnemer. Deze neemt een monster van iedere partij, om de kwaliteit te bepalen. In grote loodsen wordt het graan opgeslagen, waarna het veelal via schip zijn weg vind naar maalderijen, veevoerfabrieken en brouwerijen.

Ongeveer 1/4e van de oppervlakte op het bedrijf wordt beteeld met suikerbieten. Deze worden in het voorjaar gezaaid, wanneer er geen kans meer is op vorst. In het najaar worden de bieten geoogst. De biet wordt machinaal uit de grond gehaald en ontdaan van het groene loof. De bieten gaan op een hoop en het loof blijft achter op het land. In Nederland gaan alle suikerbieten naar cooperatie Suikerunie. Deze zorgt er in zijn fabrieken voor dat uit de bieten suiker wordt gewonnen. In een biet zit gemiddeld 16% suiker.

Een jong bietenplantje in het zogenaamde vier-bladstadium.